Vrouwen bouwen aan Gods koninkrijk

Debora

Debora’s verhaal lees je in de bijbel in het boek Rechters, hoofdstuk 4 en 5. Ze leefde rond de 11e of 12e eeuw voor Christus; de meningen daarover zijn wat verdeeld. In de Joodse traditie leidde ze Israel van 1107 voor Christus tot 1067 voor Christus. Archeologische vondsten doen vermoeden dat haar oorlog met Sisera plaatsvond in de tweede helft van de 12e eeuw voor Christus of van de 11e eeuw voor Christus. Een bijzonder weetje is dat dit moment, het verhaal van Debora, het eerste moment in de geschiedenis van Israel als verenigd volk uit meerdere stammen is dat ook in de gewone, archeologische geschiedenis wordt geboekstaafd.

Debora betekent ‘bij’. De stam van Debora is Dabar, dat betekent ‘spreken’ of ‘leiden’, dus Debora wordt ook gezien als ‘zij die spreekt’. Bijen leven als volk met een koningin; de bijenkoningin is gewoonlijk de moeder van alle bijen in de kolonie. Bijen hebben honing voor hun kinderen en een angel voor hun vijanden. In de bijbel is honing een veelgebruikte vergelijking voor Gods woord/de Tora, en natuurlijk was Israel ook het land “overvloeiend van melk en honing”.

Of Debora getrouwd was is niet zeker. Ze wordt aangekondigd als “Deborah, “eshet lappidot”, profetes”. Eshet betekent hier vrouw-van, maar of Lappidot de naam van haar man was is niet zeker. Meestal wordt de naam van een man vermeld met daarbij “zoon van” en dat ontbreekt hier, en als naam komt Lappidot verder in de bijbel ook niet voor. Toch is de meest gebruikelijke verklaring dat Lappidot de naam van haar man was. Andere mogelijkheden zijn haar geboorteplaats, of een beschrijving van haar karakter: letterlijk betekent Lappidot “vurige fakkels”.

Debora was een profetes. Ze zat onder de Debora-palmboom tussen Rama en Betel, in het bergachtige gebied van Efraim, midden in Israel. In haar tijd waren de dalen in bezit van de Kanaanieten onder leiding van koning Jabin en zijn legercommandant Sisera, die 900 ijzeren wagens had waarmee hij daar militaire overmacht had. De Israëlieten woonden op de heuvels en bergen, waar ze veiliger waren. Ze zat onder een palmboom: in de bijbel is de palmboom een symbool voor rechtvaardigheid, en de vrucht van de dadelpalm is zoet als honing. Omdat palmbomen niet vaak hoog in het gebergte groeien wordt ook wel gedacht dat dit vooral symbolisch bedoeld was. De bekende rabbijn Rashi leidt hieruit af dat Debora een welvarende vrouw was, in het bezit van oa wijngaarden. Anderen zien hierin een aanwijzing dat ze in de open vlakte buiten de poorten rechtsprak: iedereen kon het zien gebeuren, veilig tegen (valse beschuldigingen van) misbruik. Zo sprak ze recht: ze oordeelde vanuit haar functie als rechter-profeet, naar de wetten en wegen van God. Dit deed ze zittend: symbolisch voor haar status.

Debora was in heel Israel bekend. Dit weten we o.a. doordat ze Barak bij zich laat komen. Barak moet daarvoor uit Kedes komen. Kedes ligt ten noordwesten van het Huleh-meer in het noorden van Israel.

De naam ‘Barak’ betekent bliksemflits: voor sommige rabbijnen een aanwijzing dat Lappidot en Barak dezelfde persoon zijn.

Abraham Kuyper schrijft over Debora en Barak (pagina 54):

Zelfs schijnt ze door Barak een geheime wapening van het bergvolk tot stand te hebben gebracht, en door kleine guerrilla-oorlogen Barak’s veldheerstalent en de strijdvaardigheid van haar bergleger te hebben geoefend.

Dan gebiedt Debora Barak om een leger te vormen van 10.000 man uit Naftali en Zebulon en met hen naar de vlakte te gaan, en profeteert ze dat God het leger van Sisera aan hen zal uitleveren. Barak weigert zonder Debora te gaan. Debora stemt daarin toe, maar geeft aan dat dan ook de overwinning niet op naam van Barak zal komen, maar op naam van een vrouw. Zo gebeurt het. Debora komt uit haar zittende positie overeind; ze staat op en gaat met Barak mee. (Het is jammer dat we geen leeftijden weten; gezien Debora’s reputatie zal zij niet de jongste meer zijn geweest, mogelijk oud genoeg om qua leeftijd Baraks moeder of oma te zijn; Barak zal als strijder juist niet zo oud zijn geweest.) Ze trekken met het leger naar het dal, waar het leger van Sisera schrikt van hun komst. God zaait verwarring; in het lied van Debora uit Rechters 5 lijkt dat te zijn gebeurd door een hagelstorm waardoor de ijzeren strijdwagens bleven vastzitten in de modder. De exacte details van de strijd zijn niet goed uit de bijbel af te leiden, maar gedacht wordt dat Debora met een kleine groep mannen van Benjamin en Manasse door het dal trok en zo Sisera’s leger lokte, terwijl Barak met de overige mannen uit de andere stammen vanaf de berg het leger aanviel. Debora trekt in haar overwinningslied fel van leer tegen de stammen die niet deelnamen aan de gevechten.

Alle soldaten van Sisera sneuvelen, en Sisera zelf slaat op de vlucht. Hij komt zo bij de tent van een vrouw die Jael heette en van wie de familie een bondgenootschap heeft gesloten met koning Jabin. Daar verwacht hij veilig te zijn. Jael lokt hem met een schaal melk in haar tent en wacht af tot hij diep in slaap is. Dan pakt ze een tentpin en slaat die door zijn hoofd. Als vervolgens Barak bij haar tent komt, op zoek naar Sisera, kan Jael hem zijn vijand dood overhandigen. Zo was de eindoverwinning in handen van een vrouw, die met voor die tijd normaal vrouwengereedschap (bij bedoeïenen worden de tenten gewoonlijk door de vrouwen opgezet) de eer van de overwinning verkreeg.

In hoofdstuk 5 volgt het lied van Debora en Barak: een heel oud stuk poëzie, vormgegeven naar het lied van Mozes en Mirjam. Vers 7 uit de vertaling van de Naardense Bijbel omschrijft Debora’s rol als volgt:

Verlaten lagen in Israel de dorpen, verlaten,-
Tot ik opstond, Debora,
Als moeder van Israel opstond!

En Jaels rol in dezelfde vertaling:

Gezegend zij boven de vrouwen:
Jaeel,
Vrouw van Chever, de Keniet;
Boven de vrouwen in de tent zij zij gezegend!

Wie met “de vrouwen in de tent” bedoeld worden is niet duidelijk; er wordt hier wel een verwijzing in gezien naar Sara, Rebekka, Lea en Rachel, van wie steeds expliciet vermeld wordt dat zij in tenten woonden.

Tussen haar benen timmert Jael een pen door het hoofd van Sisera. Het lied vervolgt over zijn moeder, die op de uitkijk staat, en wacht tot haar zoon thuiskomt met de buit: de meisjes van Israel die als baarmoeders kunnen dienen voor het volk. Letterlijk staat hier niet “elke man een meisje, of misschien wel twee” maar “een baarmoeder, twee baarmoeders per man”.

De eerder genoemde rabbijn Rashi ziet ook Jael als rechter over Israel; dat zou betekenen dat Debora niet de enige vrouwelijke rechter geweest is. Maar meestal wordt Jael als niet-Joodse gezien en Debora als enige vrouwelijke rechter over Israel.

Zo eindigt het verhaal van de overwinning van Debora, Barak en Jael op koning Jabin. Het land had veertig jaar rust: een generatie kon ongestoord leven.

 

Meer lezen?

Shimon Bakon: Deborah: judge, prophetess and poet

Lawrence Stager: The song of Deborah: why some tribes answered the call and others did not

Tikvah Frymer-Kensky: Deborah: Bible

John H. Stek: The Bee and the Mountain Goat: a literary reading from Judges 4

 

Over man/vrouw-rollen in dit verhaal:

Jeremy Bouma: What do Deborah and Barak want to tell complementarians and egalitarians?



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.